Anesthesie

Kleine of grote operaties gaan gepaard met verdovingen. Dat kan een plaatselijke verdoving zijn of een volledige narcose. Voor mensen met een spierziekte zijn verdoving en narcose belangrijke aandachtspunten! Zelfs als er sprake is van milde symptomen of als iemand in de familie een spierziekte heeft, is het verstandig om de anesthesist hierop te wijzen.

Aandacht voor het hart

Spierziekten kunnen invloed hebben op het functioneren van het hart. Sommige spierziekten tasten langzamerhand de hartspier zelf aan. Daardoor vermindert de pompfunctie. Andere spierziekten hebben invloed op de prikkelgeleiding, waardoor hartritmestoornissen kunnen ontstaan. De anesthesist moet voor de operatie weten hoe het hart functioneert.

Ademhaling in orde?

Anesthesiemiddelen hebben vaak invloed op de spierkracht, dus ook op de kracht van de ademhalingsspieren. Daarom moet de anesthesist weten of de ademhalingsspieren nog voldoende functioneren. Zo niet, dan moet hij extra maatregelen nemen.

Spierverslappers

Veel middelen voor anesthesie verslappen de spieren. Soms kunnen deze middelen problemen veroorzaken bij mensen met een spierziekte; sommige middelen worden maar langzaam afgebroken, andere hebben een te sterk effect; weer andere middelen kunnen de temperatuurregulatie van het lichaam ontregelen. Het is dus belangrijk dat de anesthesist weet dat er een spierziekte in het spel is.

Plaatselijke verdoving

Een plaatselijke verdoving, bijvoorbeeld voor het hechten van een wond, heeft zeer weinig bijwerkingen. Ook kunnen regionale verdovingen meestal zonder grote risico's worden toegepast. Maar ook hier geldt dat de behandelend arts het moet weten wanneer er - mogelijk - sprake is van een spierziekte.