Nieuws van het 16e Internationale ALS symposium 2005

Door: Geert Jan Groeneveld

Hoogtepunten en nieuws van het 16e Internationale ALS Symposium

Van 8 tot en met 10 december 2005 werd het 16de internationale ALS-congres gehouden in Dublin, Ierland. Het congres kende een recordaantal van 950 deelnemers.

Na de opening van het congres volgde een verhaal van de oprichter van de Amerikaanse website Quackwatch.org. Dat is een website die erop gericht is patiënten en hun dokters te behoeden voor kwakzalverij. Het was een slecht voorbereide en ongenuanceerde presentatie die niet in ging op de moeilijkheden van het balanceren tussen het geven van hoop aan patiënten met ALS en het niet willen geven van valse hoop. Gelukkig werd het gevolgd door een goede, wetenschappelijke uiteenzetting over de mogelijke verschijningsvormen van ALS en de groeiende inzichten dat het een aandoening betreft die zich op meer verschillende manieren kan uiten dan altijd in de leerboekjes heeft gestaan. Na deze eerste globale overzichten begon het deel van het congres waarin de meest recente resultaten van wetenschappelijk onderzoek werden gepresenteerd.

Pathologie

De eerste sessie ging over nieuwe inzichten in de pathologie van ALS (wat gaat er mis bij ALS en waar in de cel). Bijzondere aandacht was er voor zogenaamde heat shock-eiwitten (HSP), eiwitten die belangrijk zijn op het moment dat neuronen in stress verkeren. Er is meer van de HSPs in een muismodel geconstateerd, maar of deze ook werkelijk een rol spelen in ALS, daar waren enige tegenstrijdige resultaten over. Verhoging van glutamaat, een belangrijk molecuul betrokken bij de communicatie tussen neuronen, is meerdere keren in verband gebracht met ALS. In een muismodel bleek dat afwezigheid van een bepaalde glutamaat receptor, GluR2, het ziektebeeld aanmerkelijk versnelde. In deze sessie werden ook de resultaten getoond van een van de medicijnonderzoeken die werden uitgevoerd bij ALS-muizen. De groep van dr Crow uit Little Rock, (Arkansas, VS) toonde aan dat zink in onvoldoende mate aanwezig is in het eiwit SOD1, het eiwit dat gemuteerd is bij 2% van de mensen met ALS en dat gebruikt wordt in het muismodel voor ALS. Door een medicijn (Motexafin gadolinium) toe te dienen aan de muizen, pas vanaf het moment dat deze de eerste ziekteverschijnselen vertoonden, werd de zink-bezetting van SOD1 verbeterd en werd de overleving van de ALS-muizen tot 2,5 keer verlengd. Dr Crow concludeert dat dit medicijn mogelijk in de toekomst niet alleen bij mensen met de familiaire vorm van ALS, maar ook met de "normale", niet-familiaire vorm effectief zou kunnen zijn.

Klinische trials

Parallel aan deze sessie werden gedurende de rest van de eerste morgen van het congres de resultaten gepresenteerd van de klinische trials, dat wil zeggen van de medicijnonderzoeken die werden uitgevoerd bij mensen met ALS. Tijdens deze sessie werd ook gesproken over manieren om onze trials efficiënter uit te voeren. Dr Miller uit San Francisco (VS) presenteerde de teleurstellende resultaten van een groot onderzoek naar TCH346 bij 591 mensen met ALS. Het medicijn zou mogelijk de geprogrammeerde celdood, de manier waarop zenuwen ook bij ALS teloorgaan, remmen. Patiënten kregen tot 44 weken lang TCH346 in één van vier doseringen. Met name de snelheid van achteruitgang van een score die weergeeft in welke mate de patiënt met ALS in het dagelijks leven hinder ondervindt van zijn aandoening werd onderzocht. Er was geen significant verschil tussen de behandelgroepen en ook niet tussen de mensen die TCH346 kregen en degenen die placebo (het nepmiddel dat ter controle gegeven wordt) kregen. Vervolgens kwam dezelfde dr Miller met hoopvollere berichten en toonde aan dat een stof die in muizen met ALS behoorlijk effectief was om de ziekte te remmen, veilig was voor mensen met ALS. Het betreft de stof AEOL10150 (mangaan porfyrine), een stof die waarschijnlijk met name beschermt tegen zuurstofradicalen, schadelijke bijproducten waarvan wordt aangenomen dat zij een rol spelen in de beschadiging van zenuwen bij ALS. In de muis met ALS werd de levensduur met 38% verlengd. In de mens was een dosis oplopend tot 2 maal daags 75 mg, geïnjecteerd, veilig en leidde niet tot belangrijke bijwerkingen. Dr Miller zal op zeer korte termijn beginnen met een nieuwe trial om de effectiviteit van AEOL10150 bij mensen met ALS te onderzoeken. Dr Gordon uit New York (VS) presenteerde de resultaten van een onderzoek waarin het medicijn glatirameer acetaat (Copaxone®) op veiligheid bij patiënten met ALS werd onderzocht. Glatirameer acetaat, dat al geregistreerd is voor de behandeling van patiënten met Multipele Sclerose (MS), zou de ontstekingsreactie waarvan steeds aannemelijker wordt dat deze een rol speelt bij ALS, verminderen door middel van een soort vaccinatieachtige werking. Het medicijn leidde tot de bekende bijwerkingen rond de plaats van injectie (roodheid, zwelling) en ook tot wat opvliegerachtige klachten. In 20 patiënten met ALS werd aangetoond dat de mate van ontstekingsreactie inderdaad minder was dan bij 10 onbehandelde patiënten. Ook met dit medicijn zal binnenkort een trial gestart worden in de VS.

Lessen van andere motor neuron aandoeningen

Op de middag van de eerste dag van het congres volgden nog sessies over vier andere onderwerpen. In de sessie waarin gekeken werd wat er geleerd kan worden van andere aandoeningen, presenteerde Dr Schwab uit Zurich (Zwitserland) interessante resultaten van onderzoek naar de groeisnelheid van zenuwuitlopers in het ruggenmerg van muizen waarvan de zenuwbanen waren doorgesneden. Normaliter groeien nieuwe zenuwuitlopers minder dan 1 mm. Dit is waarschijnlijk onder andere het gevolg van factoren die de uitgroei van zenuwen remmen en die van nature aanwezig zijn in het lichaam. Wanneer een muis nu wordt behandeld met antistoffen tegen deze factoren (anti-Nogo A), groeien de zenuwuitlopers harder en bereiken een lengte van meer dan 1 cm. Ook namen (daardoor) de kracht en de functionaliteit van de muizen, en in een later onderzoek werd hetzelfde aangetoond bij apen, in duidelijke mate toe. Dit onderzoek toonde hiermee aan dat met hulp het ruggenmerg een sterker herstel kan vertonen dan tot nu toe werd aangenomen.

Kwaliteit van leven onderzoek en palliatieve zorg

De tweede van de middagsessies behandelde kwaliteit van leven onderzoek en palliatieve zorg. Het blijft altijd een lastige vraag hoe je kwaliteit van leven kunt meten, met andere woorden, iedereen weet dat kwaliteit van leven individueel bepaald is maar wil dit toch met een meetinstrument vast kunnen leggen. Enerzijds doet men dit door te onderzoeken welke thema's voor de grootste groep mensen van belang is, anderzijds door te onderzoeken hoe je de individuele verschillen toch mee kunt nemen in je onderzoek. Als hulpverleners vaststellen wat belangrijk is voor patiënten in de laatste fase van hun leven blijkt dit niet volledig overeen te komen met wat patiënten zelf aangeven. Het eerste gebeurt echter nog te vaak.

Een voorbeeld van een instrument om de individuele kwaliteit van leven te meten is The Schedule of Evaluation of Individual Quality of Life (SEIQOL). Dit instrument is net ontwikkeld maar kan mogelijk geschikt zijn voor gebruik in onderzoek.

Axonaal transport

De derde middagsessie ging over het transport dat plaatsvindt langs de motorische zenuwbanen. In de zenuwbanen die van het ruggenmerg naar de spieren lopen vindt heen en weer vervoer plaats van belangrijke stoffen. De laatste jaren werd in toenemende mate duidelijk dat belemmering van dit zogeheten axonale transport ook kan leiden tot beschadiging van de motorische voorhoorncellen, de cellen die kapot gaan bij ALS. Hier werd bijvoorbeeld nog eens duidelijk gemaakt dat de mutaties in SOD1, ook gezien bij een deel van de patiënten met erfelijke ALS, leidden tot een vertraging van dit transport. Of dit louter een gevolg is of ook kan bijdragen aan de oorzaak van uiteindelijke teloorgang van motorische zenuwcellen in het ruggenmerg is nog niet geheel duidelijk.

PEG en functionele onafhankelijkheid

De vierde middagsessie behandelde PEG-sondes en RIG-sondes (een PEG ingebracht door middel van een radiologische techniek) en functionele onafhankelijkheid.

De belangrijke boodschap die in de lezingen over voeding naar voren kwam was dat er nog steeds onvoldoende goed onderzoek is over bv. factoren die voorspellen wanneer het plaatsen van een PEG-sonde het beste kan, welke wijze van het plaatsen het beste is (PEG, PRG). Veel wat hierover bekend is, is verkregen door te kijken naar wat er in het verleden gebeurd is en niet door groepen met elkaar te vergelijken.

Verder bleek dat we in Nederland een stap voor lopen met onze gespecialiseerde revalidatiezorg. In de meeste landen is het niet gebruikelijk dat de zorg voor een ALS-patiënt vanuit een revalidatiecentrum gegeven wordt terwijl daar juist de nodige kennis is over hulpmaterialen.

Posters

Op de tweede dag van het congres kon de ochtend besteed worden aan het doornemen van de vele posters, resultaten van onderzoek die niet in de vorm van een praatje worden gepresenteerd maar in tekst op een poster. Een Franse onderzoeksgroep (Meininger et al.) probeerde door middel van meting van een eiwit (Nogo A) voorspellingen te doen over de snelheid van achteruitgang van een patiënt. Dat lukte aardig maar werd nog niet onderzocht op zijn toekomstvoorspellende waarde. Een Amerikaanse onderzoeksgroep (Liu et al.) toonde aan dat er bij patiënten met de niet-familiare vorm van ALS ook vaak een afwijkende vorm is van het eiwit SOD1, waarvan tot nu toe werd aangenomen dat het alleen rol speelde bij familiare ALS (FALS). Een andere groep toonde eveneens aan dat het eiwit SOD1, ook wanneer het niet mutaties bezit zoals bij FALS, zonder de gebruikelijke aanwezigheid van zink en koper schadelijk kan zijn voor motorische zenuwcellen. Deze zelfde groep is bezig met de ontwikkeling van kleine moleculen die het (metaaldeficiënte) SOD1-eiwit kunnen stabiliseren en stellen voor deze behandeling ook uit te proberen bij patiënten met de niet-erfelijke vorm van ALS. Een Zuidkoreaanse onderzoeksgroep (Sung-Min Kim et al.) onderzocht de invloed van een gebrekkige longinhoud op de cognitieve functies, het denken, de snelheid van denken, etc. De laatste jaren wordt steeds meer duidelijk dat bij een deel van de ALS-patiënten de cognitieve functies zijn aangetast. Deze onderzoeksgroep waarschuwt ons voor de invloed van een slechte longinhoud en toont aan dat dit de cognitieve functies negatief beïnvloedt. Een Amerikaanse onderzoeksgroep (Brooks et al.) presenteerde de resultaten van een studie waarbij patiënten met ALS het medicijn Tamoxifen, een middel dat gebruikt wordt bij de behandeling van borstkanker, in één van vijf verschillende doses kregen. Er werd geconcludeerd dat behandeling met Tamoxifen een gunstig effect had op de snelheid van achteruitgang. Helaas werd echter geen placebogroep gebruikt. Harde conclusies zijn daarom nog niet mogelijk. De groep overweegt in de toekomst een placebogecontroleerd onderzoek uit te voeren. Een andere Amerikaanse onderzoeksgroep (Appel et al.) koos voor dezelfde manier van aanpak om Interferon beta 1a te onderzoeken. Interferon beta 1a is ook een medicijn dat gebruikt wordt bij de behandeling van patiënten met MS (net als glatirameer acetaat, zie boven). Ook dit onderzoek werd niet placebo-gecontroleerd uitgevoerd. Er werden gegevens gebruikt uit een database bestand. De gemiddelde longinhoud van de 29 patiënten die het medicijn kregen ging langzamer achteruit dan van de patiënten uit de database. Ook deze groep concludeert dat er binnenkort een groot placebogecontroleerd onderzoek moet komen. Een derde Amerikaanse onderzoeksgroep onderzocht de veiligheid van een cocktail van 8 verschillende medicijnen die alle theoretisch een positieve invloed zouden kunnen hebben op de spier of de zenuw. De cocktail bevatte riluzole, creatine, vitamine C, vitamine E, Q10, alfa lipoïnezuur, albuterol en oxandrolon en leidde niet tot ernstige bijwerkingen. De groep denkt dat het haalbaar is om een placebogecontroleerde trial uit te voeren met deze cocktail.

Ontsteking

De rest van de morgen van de tweede dag van het congres werd gevuld met een sessie over de ontsteking die waarschijnlijk een rol speelt bij ALS en een sessie over de overlap van ALS met andere aandoeningen. Dr Appel presenteerde een overzicht van de bewijzen dat ontsteking een rol speelt bij de beschadiging van de zenuwcellen bij ALS, maar ook juist bij de bescherming. Hij concludeerde dat er factoren moeten zijn die de microglia-cellen in het ruggenmerg, cellen die een ontstekingsreactie kunnen veroorzaken, kunnen doen omslaan van beschermend naar beschadigend. Hij denkt dat dit proces mogelijk te beïnvloeden is door beenmergtransplantatie. De laatste presentatie in deze sessie ging over een onderzoek waarbij witte bloedcellen werden geïsoleerd uit het bloed van patiënten met ALS, maar ook van patiënten met HIV, met een oogaandoening (macula-degeneratie), met de ziekte van Alzheimer, en van gezonde controles. Uit de bloedcellen werd RNA gehaald en dit RNA werd vergeleken tussen de verschillende groepen. In bepaalde opzichten leek het profiel van de relatieve hoeveelheden RNA van de patiënten met ALS en de ziekte van Alzheimer meer op het profiel van de HIV-patiënten dan het profiel van de controles of de patiënten met de oogaandoening leek op het profiel van de HIV-patiënten. De onderzoekers menen dat dit een indirecte aanwijzing is een virale infectie en een ongereguleerde chronische ontstekingsreactie hierop een rol spelen bij ALS (en bij de ziekte van Alzheimer).

Overlap ALS en andere aandoeningen

In de sessie over de klinische overlap van ALS en andere aandoeningen werd gepleit voor het zien van een spastische vorm van ALS bij jongere patiënten als een aparte vorm van ALS. Zo lijken de kenmerken van deze subgroep anders dan die van de rest van de ALS-patiënten. De subvorm komt gemiddeld veel vaker bij mannen voor (man:vrouw = 14,5:1) dan gewone ALS (man:vrouw = 1,5:1). Ook lijkt de snelheid van achteruitgang lager te liggen bij de subvorm. Een andere onderzoeksgroep presenteerde een patiënt met een mutatie zoals die ook gezien wordt bij de ziekte van Strümpell (hereditaire spastische paraplegie), die echter een aandoening kreeg die veel meer leek op PLS (primaire lateraal sclerose), een aandoening die sterk verwant is aan ALS. Een dag later zou dr Brugman uit Utrecht een presentatie geven over een patiënt met ALS die een dergelijke genetische mutatie bleek te bezitten.

Verkeerd gevouwen eiwitten

De eerste van de vijf middagsessies van de tweede dag behandelde het probleem van verkeerd gevouwen eiwitten. Ook hiervan wordt steeds duidelijker dat het een belangrijke rol speelt bij ALS. Enerzijds heeft SOD1 zoals het voorkomt bij patiënten met familiaire ALS de neiging om samen te klonteren en neer te slaan en anderzijds lijkt de normale reactie van het lichaam hierop (met behulp van het eiwit proteasoom) bij patiënten met ALS niet helemaal in orde. De laatste presentatie van deze sessie ging over een antilichaam dat verkeerd gevouwen SOD1 herkent en zou kunnen onderscheiden van niet-verkeerd gevouwen SOD1. Als dit inderdaad goed werkt zou dit het onderzoek naar het verkeerd vouwen van SOD1-eiwitten goed op weg helpen.

Ondersteuning van de mantelzorger

Parallel aan deze sessie werd er gesproken over ondersteuning van de mantelzorger.

Uit de literatuur is bekend dat het verlenen van mantelzorg invloed heeft op de mantelzorgverlener op allerlei gebieden: algemene en emotionele gezondheid, tevredenheid over het leven, sociaal-economische factoren, relaties, etc.

Uit interviews met mantelzorgverleners voor ALS-patiënten blijkt dat deze invloed niet anders is. De hoeveelheid tijd die de zorg vraagt blijkt vooral afhankelijk van de lichamelijke beperkingen van de patiënt, vooral wanneer de patiënt niet meer kan lopen en staan. Mantelzorgverleners hebben vaak moeite om andere relaties goed in stand te houden. Dit heeft, naast de weinige tijd, ook andere oorzaken als: schuldgevoel, vermijden van contact door anderen of een gebrekkige eigen gezondheid. Hulpverleners moeten oog hebben voor dit probleem en ondersteuning bieden hoe hiermee om te gaan. Wanneer er sprake is van verschijnselen die niet zo vaak bij ALS-patiënten voorkomen, zoals gedragsverandering, gevoelsstoornissen en blaasfunctiestoornissen blijkt de zorg nog zwaarder te zijn. Een kritische kanttekening bij dit alles is dat al deze genoemde punten voortkomen uit enkele onderzoeken die maar in één ALS-centrum onderzocht werden bij soms kleine groepen patiënten.

Beeldvormende en neurofysiologische technieken bij ALS

Een derde parallelle sessie ging over beeldvormende en neurofysiologische technieken om ALS beter vast te kunnen stellen en te kunnen onderscheiden van andere aandoeningen, en om de progressie van ALS te kunnen kwantificeren. Dit is respectievelijk van belang om de diagnose zo snel mogelijk te kunnen stellen en zo in de toekomst behandelingen eerder te kunnen laten beginnen, en om het effect van een behandeling te kunnen kwantificeren.

De middag van de tweede dag werd besteed aan drie parallelle sessies over veelbelovende behandelingen in experimentele modellen van ALS, over het cognitieve functioneren van patiënten met ALS, en over de genetische afwijkingen die gevonden worden bij ALS.

Behandelingen van (muis-)modellen van ALS

In de sessie over behandeling in experimentele modellen van ALS werden onder andere resultaten gepresenteerd van studies naar de positieve werking van angiogenine, mechano-groei factor (MGF), een combinatie van IGF-1 en lichamelijke inspanning, en stamcellen. Angiogenine (onderzocht door dr Kierin et al. uit Dublin, Ierland) is een eiwit dat in het menselijk lichaam geproduceerd wordt in reactie op een tekort aan zuurstof. Recent werd aangetoond dat een groter aantal ALS-patiënten dan controlepatiënten een mutaties bezat in het DNA coderend voor dit eiwit. Het eiwit kan in kweken van zenuwcellen de schadelijke invloed van zuurstofradicalen en van glutamaat (een andere stof waarvan vermoed wordt dat het een belangrijke rol speelt bij de beschadiging van de motorische zenuwcellen in het ruggenmerg) verminderen. De volgende stap zal zijn het middel te onderzoeken in muizen met ALS.

MGF werd door een onderzoeksgroep uit Londen onderzocht op muizen met ALS. MGF is een groeifactor die zowel op herstel en groei van spieren en zenuwen een gunstig effect kan hebben. Muizen met ALS die werden geïnjecteerd met DNA waaruit MGF gemaakt kan worden waren sterker en bezaten meer motorische zenuwcellen aan het einde van de studie. Of het middel het leven van ALS-muizen verlengd werd (nog) niet onderzocht. Dit werd wel onderzocht in een experiment dat werd uitgevoerd door een onderzoeksgroep uit Columbus (Ohio, VS). Hierbij werden injecties gegeven met een virus dat DNA bevatte waaruit IGF-1 geproduceerd kan worden. IGF-1 is net als MGF een groeifactor voor zenuwen en werd al eerder (uitgebreid) onderzocht bij mensen met ALS. De resultaten hiervan leken destijds gunstig maar bleken uiteindelijk teleurstellend. Het idee van de onderzoekers is dat IGF-1 echter wel degelijk zou kunnen werken wanneer het, zoals in dit muisonderzoek, via een virus geïnjecteerd wordt. In dit onderzoek werden de muizen behalve geïnjecteerd ook dagelijks in een tredmolen geplaatst waardoor ze gedwongen werden zich lichamelijk in te spannen. De combinatie van injecties met het IGF-1-virus en lichamelijke inspanning bleek de overleving van de muizen gemeten vanaf het moment dat de ziekte begon bijna te verdubbelen. De auteurs concluderen dat deze therapie misschien wel de meest belovende tot nu toe is.

Dr Silani uit Milaan (Italië) presenteerde net als vorig jaar een update van de vorderingen van het onderzoek dat in zijn centrum wordt verricht naar stamcellen. Hij toonde aan dat stamcellen verkregen uit menselijk beenmerg zich kunnen differentiëren tot zenuwcellen en gliacellen (cellen rondom de zenuwcellen in het ruggenmerg). De cellen werden vervolgens geïmplanteerd in muizenhersenen. Deze getransplanteerde cellen maakten tot 45 dagen na de transplantatie nog menselijke groeifactoren. Het is de verwachting dat stamceltransplantatie onder andere door de productie van deze groeifactoren plaatselijk de schade aan zenuwcellen kan doen verminderen.

Genetica

Parallel aan bovenstaande was er een sessie over genetica van ALS. Hierin werd een aantal zoektochten naar variaties in het DNA die ten grondslag kunnen liggen aan ALS toegelicht. Goed nieuws was er te melden op het gebied van familiaire ALS. De laatste jaren is het aantal plaatsen op het DNA waar zich mogelijkerwijs mutaties bevinden, toegenomen. Dit vergroot de kans dat er nieuwe ziekte-genen gevonden zullen worden. Ook in een Nederlandse familie is een locatie op het DNA gevonden, waar zich waarschijnlijk mutaties bevinden die ALS kunnen veroorzaken. Het exacte gen is nog niet bekend, maar dit kan in de toekomst leiden tot mogelijk nieuwe modellen en een beter inzicht in de oorzaak van ALS. De zoektocht naar genetische variaties die in sporadische ALS een rol spelen gaat hard door. Een aantal nieuwe genen, waaronder spastine, VABP en HFE, worden in verband gebracht met ALS. Echter, de studies werden in een beperkt aantal patiënten uitgevoerd, en zullen in grotere aantallen herhaald moeten worden voordat conclusies getrokken kunnen worden. Dit was ook het geval met VEGF, een gen dat -gemuteerd- initieel een risico factor voor ALS leek te zijn, maar dat naarmate het bij meer patiënten werd onderzocht, niet het geval bleek. Door de beschikbaarheid van nieuwe, betere technieken, computers en statistiek is de verwachting dat het in de toekomst makkelijker zal worden genetische variaties op te sporen.

Cognitieve stoornissen bij ALS

De derde parallelle sessie behandelde de sinds kort bekende cognitieve functiestoornissen (stoornissen in het denken) die bij veel patiënten met ALS worden waargenomen. Dr Strong uit Ontario (Canada) wees ons erop dat door de veranderingen in het gedrag en de cognitieve functies die bij 30% tot 50% van de patiënten met ALS wordt gezien, sommige patiënten minder geneigd zullen zijn deel te nemen aan wetenschappelijk onderzoek. Hierdoor zullen deze patiënten relatief weinig aan trials meedoen, wat de extrapoleerbaarheid van de resultaten zal verkleinen. Twee onderzoeksgroepen verrichtten visualiserend onderzoek (functionele MRI, diffusion tensor imaging en MR-spectroscopie) naar de oorzaak en lokalisatie in het brein van de emotionele labiliteit die vaak bij ALS-patiënten wordt gezien en naar het niet goed functioneren van de voorhoofds- en slaapkwabben van de hersenen. Dezelfde dr Strong als van de eerste presentatie toonde aan dat bij de verschillende subgroepen in het ALS-spectrum de kans op cognitieve stoornissen sterk verschilt. Misschien dat zij vaker voorkomen bij familiaire ALS, maar in ieder geval minder vaak bij patiënten met progressieve spinale spieratrofie (PSMA).

Op de derde en laatste dag van het ALS-congres was er alleen een ochtendprogramma. In de middag werden de hoogtepunten van het congres nogmaals belicht. 's Morgens waren er in totaal vier sessies: over mitochondria (de energie-producerende orgaantjes in de cellen) en geprogrameerde celdood, over populatie-genetica en epidemiologie, over ALS-diemodellen in het algemeen en over (behandeling van) ademhalingszwakte bij ALS.

Mitochondria en celdood

De eerste sessie over mitochondria en celdood bood met name een overzicht van de al bekende paden die tot celdood leiden in ALS, maar ook, en met name, nieuwe informatie hierover. Het blijft een onderwerp waar veel onderzoek naar verricht wordt.

Populatie-genetica en epidemiologie

Het doel van populatie-genetica en epidemiologie is om door middel van onderzoek bij grote groepen ALS-patiënten, hun genetische achtergrond en omgevingsblootstelling conclusies te trekken met betrekking tot de oorzaken van ALS. De huidige theorie over de oorzaak van ALS is dat zowel genen als omgevingsfactoren een rol spelen in het ziekteproces. Daarbij kunnen genen gezien worden als een soort aanleg, die een mens 'bevattelijker' maakt voor het krijgen van ALS. Daarnaast maakt een blootstelling aan bepaalde omgevingsfactoren of iemand wel of niet ALS ontwikkelt. Er is al veel onderzoek gedaan naar dergelijke factoren. Omdat ALS een zeldzame ziekte is, zijn deze onderzoeken vaak verricht in kleine patiëntengroepen. Omdat dit de resultaten minder betrouwbaar maakt, worden momenteel meer onderzoeken in grotere groepen verricht, zogenaamde population-based studies. Hierin wordt ondermeer onderzocht of ALS vaker voorkomt in groepen met een bepaalde etnische achtergrond. ALS lijkt bijvoorbeeld minder voor te komen bij mensen van Afrikaanse afkomst. Dit moet echter nog verder worden onderzocht. Tevens heeft een Australisch onderzoek mogelijke omgevingsfactoren onderzocht. Hieruit blijkt dat de blootstelling aan bepaalde bestrijdingsmiddelen de kans op het krijgen van ALS mogelijk vergroot. Momenteel worden er meerdere population-based studies opgezet, waaronder in Nederland, om een betrouwbaar resultaat te krijgen over mogelijke risicofactoren.

Diermodellen voor ALS

In de derde sessie over diemodellen werden onder andere door een van de Utrechtse onderzoekers (P. van Vught) resultaten gepresenteerd van onderzoek naar de beschermende genetische achtergrond van sommige muizen met ALS. Deze leefden langer dan normaal, wat leek samen te hangen met een verschillende genetische achtergrond. Het achterhalen van de exacte beschermende werking zou kunnen leiden tot nieuwe inzichten in de oorzaak van ALS en waarom de ene patiënt sneller achteruitgaat dan de ander.

Terug naar overzicht