Ga goed voorbereid op vakantie: neem SOS-kaartje mee en vul Medische ID in
Tijdens het Pompe-congres gaf prof. dr. Kristl Claeys (UZ Leuven) een presentatie over de ziekte van Pompe. Hieronder lees je een samenvatting van haar lezing.
De ziekte van Pompe is een glycogeenstapelingsziekte type II (GSD II). Een andere naam is ‘zure maltase deficiëntie’, een term vroeger vaker werd gebruikt. De ziekte is autosomaal recessief erfelijk. Dat betekent dat iemand de ziekte alleen krijgt als beide ouders een afwijkend gen doorgeven. Dragers hebben zelf geen klachten.
De ziekte werd voor het eerst beschreven in 1932 door een Amsterdamse patholoog: een meisje dat overleed op de leeftijd van 7 maanden. Autopsie liet veel glycogeen (energiereserve) in de spieren en het hart zien. In de lysosomen (blaasjes met enzymen; een soort recyclefabriek) wordt glycogeen afgebroken door het enzym alfa-glucosidase (GAA). Dat enzym werkt niet of niet goed bij de ziekte van Pompe, waardoor er glycogeen opstapelt in vooral de spiercellen.

De ziekte van Pompe is zeldzaam; de ziekte komt voor bij 1:40.000 individuen. Er zijn twee vormen: De klassieke of Infantile Onset Pompe Desease (IOPD), met begin voor de leeftijd van 1 jaar, hierbij is er geen restactiviteit van het enzym GAA. Hierbij treedt ook cardiomegalie (hartvergroting) op en raken ook de hersenen aangedaan. Onbehandeld leidt deze IOPD-vorm tot snelle achteruitgang van de hart- en ademhalingsfuncties, met overlijden als gevolg. De Late Onset Pompe Disease (LOPD) heeft een beperkte activiteit van het enzym GAA < 30 %. Hierbij is er nog onderscheid tussen de vormen ‘adult’ en ‘juveniel’ en treedt de ziekte op de leeftijd na 1 jaar op. De specifieke genetische mutatie is naast andere veelal nog ongekende factoren bepalend voor de ernst van de ziektesymptomen.
Bij de infantiele vorm zien we kort na de geboorte al de eerste symptomen: algehele slapheid en kinderen bereiken hun ontwikkelingsmijlpalen niet (omrollen, zitten, staan). Snelle vergroting van het hart, de tong en lever, slecht eten en groeien en ademhalingsproblemen.
Bij de latere vorm (LOPD) zien we géén vergroot hart, wel spierzwakte van proximale spieren (armen, benen, schouder en bekkenspieren), en zwakte van de rompspieren en moeite met ademhalen. Spierzwakte van de proximale spieren uit zich in moeite met lopen, niet kunnen rennen, moeite met traplopen, moeite met opstaan van een stoel of een toilet, moeite om van de grond op te staan, moeite om de armen boven het hoofd te brengen, (bv haren kammen). Sommige patiënten hebben afstaande schouderbladen (scapula alata), zwakke rugspieren (kan leiden tot scoliose), teken van Gowers (met handen op benen duwen bij overeind komen). Ook ptosis (hangend ooglid) komt soms voor.
Beperkte ademhaling, kortademigheid bij inspanning, moeite met de ademhaling bij plat op de rug liggen (waardoor slecht slapen), hoofdpijn bij het opstaan ‘s ochtends en overdag erg slaperig zijn, frequente bronchitis en longontsteking, vermagering (bv door kortademigheid bij het eten). Ook falende ademhaling, maar dat komt minder frequent voor sinds er therapie beschikbaar is. Er zijn niet alleen problemen met spieren. Ook heel wisselende maag- en darmklachten en incontinentie kunnen voorkomen.
Creatine Kinase (CK) in het bloed is verhoogd. Dit toont schade aan spieren aan en is een aspecifieke bepaling; bij eigenlijk alle spierziekten en ook ander aandoeningen kan deze verhoogd zijn. Verder wordt de enzymatische activiteit GAA in bloed, huid of spieren bepaald, deze is verlaagd of afwezig. Daarnaast kunnen onder andere de volgende onderzoeken worden gedaan: MRI van de spieren; spierbiopt; genetisch onderzoek(DNA): GAA gen op chromosoom 17 is afwijkend. Er zijn ondertussen al meer dan 200 verschillende mutaties bekend en de meest voorkomende is c.-32-13T>G.
Ook ander spierziekten kunnen klachten geven in dezelfde spiergroepen, zoals Duchenne en Becker spierdystrofie, limb-girdle spierdystrofie. Daarom zijn er meerdere onderzoeken nodig om de juiste diagnose te stellen.
Dezelfde genetische mutatie in het GAA-gen kan bij verschillende mensen leiden tot heel verschillende klachten en een verschillend ziekteverloop. Zo kunnen bijvoorbeeld drie zusjes met dezelfde mutatie toch een heel verschillend verloop van de ziekte hebben. Het gendefect alleen bepaalt dus niet hoe de ziekte verloopt of hoe ernstig de klachten zijn. Waardoor die verschillen ontstaan, is nog niet bekend. Mogelijk spelen ook andere, nog onbekende genetische factoren en omgevingsfactoren een rol. Ook bij andere spierziekten komen zulke verschillen binnen één familie voor.
Er is een multidisciplinaire aanpak nodig om de patiënt te behandelen en op te volgen. Zo is er naast de enzym vervangingstherapie bijvoorbeeld ook fysiotherapie belangrijk, voor sommige ook ergotherapie en wordt regelmatig een longfunctietest afgenomen. Tevens kan begeleiding door een diëtist noodzakelijk zijn. Ieder halfjaar gaat men op controle. In België worden de resultaten van enkele vaste onderzoeken gebruikt om de goedkeuring van de weesmiddelencommissie te krijgen voor verdere behandeling en de verlenging van de terugbetaling van de medicatie. In ieder land is het weer anders geregeld. In België wordt ERT gegeven in meerdere ziekenhuizen. In Nederland kan er tevens in de thuissituatie behandeld worden, iets dat in België moeilijker te realiseren is. Dit komt doordat de juridische kaders in beide landen verschillend zijn.
Voor vragen over dit verslag is prof. dr. Kristl Claeys bereikbaar via Kristl.Claeys@uzleuven.be. Voor meer informatie kun je ook kijken op de diagnosepagine over de ziekte van Pompe.
Dit artikel is gecontroleerd door prof. dr, Kristl Claeys, UZ Leuven, België
Dit is het eerste van vier congresverslagen. De komende tijd verschijnen ook samenvattingen van de andere presentaties.