Spierziekten Nederland, vereniging voor mensen metSpinale musculaire atrofie, algemeen (SMA) / SMA-onderzoek

SMA-onderzoek, de stand van zaken

Dr. Ludo van der Pol, UMCU

Proximale spinale musculaire atrofie (SMA) is een erfelijke ziekte die aan het einde van de negentiende eeuw voor het eerst werd beschreven door de artsen Werdnig en Hoffmann. In 1995, ruim een eeuw later, werd ontdekt dat het ontbreken van het survival motor neuron (SMN)1-gen de oorzaak is van  SMA.
Het menselijk erfelijk materiaal (DNA) bevat ongeveer 20.000 genen, codes die zorgen voor de aanmaak van specifieke eiwitten. Het ontbreken van een specifiek gen leidt meestal tot het ontbreken van het eiwit waarvoor het codeert. Omdat eiwitten de bouwstenen zijn van de lichaamscellen leidt het ontbreken ervan vaak tot ziekte. Omdat het menselijke DNA een tweede SMN-gen (SMN2) bevat dat veel op SMN1 lijkt maar hieraan niet identiek is, wordt er toch nog een beetje SMN-eiwit aangemaakt. SMA is dus een ziekte ten gevolge van een SMN-eiwittekort, maar niet het volledige ontbreken ervan.

SMN-eiwittekort bij SMA
De enorme variatie in ernst die SMA kenmerkt (en reden waarom een indeling van SMA type 0 tot 4 wordt gebruikt) wordt waarschijnlijk veroorzaakt door verschillen in de hoeveelheid van SMN-eiwit die door de SMN2-genen kan worden aangemaakt. Het SMN-eiwit vervult waarschijnlijk een groot aantal functies in alle cellen van het lichaam en een aantal heel specifieke in zenuwcellen.
Het tekort aan SMN leidt daarom vooral tot een verminderde functie van zenuwcellen die de signalen uit de hersenen doorgeven aan de spieren. De verminderde functie of het verlies van deze zenuwcellen door SMN-eiwittekort leidt tot de voor SMA kenmerkende spierzwakte.

Onderzoeken naar verhoging SMN-eiwit bij SMA
Sinds de ontdekking van de oorzaak van SMA in 1995 is veel onderzoek gedaan naar behandeling van SMA. De achterliggende gedachte is dat behandelingen die leiden tot het verhogen van het SMN-eiwit in lichaamscellen (en in het bijzonder zenuwcellen) achteruitgang kunnen voorkomen.
Er zijn drie methoden om dit te bereiken:

  • gentherapie;
  • antisense oligonucleotide(ASO)-therapie;
  • pillen.

Laboratorium- en dierexperimenteel onderzoek heeft aangetoond dat deze drie methoden de potentie hebben om werkzaam te zijn bij mensen met SMA. Op dit moment loopt een aantal onderzoeken naar effectiviteit.

1. Gentherapie. Bij deze vorm van therapie wordt het SMN1-gen dat bij mensen met SMA ontbreekt in iedere cel van het lichaam gebracht. Dit kan door mensen bloot te stellen aan een virus dat het SMN1 bij zich draagt en inbouwt in het erfelijk materiaal. Deze vorm van onderzoek bevindt zich in de fase van het vastleggen van de veiligheid. Over werkzaamheid valt nog niets te zeggen. Dit onderzoek is tot op heden vrij kleinschalig en wordt uitgevoerd in de Verenigde Staten.

2. ASO-therapie (‘ISIS’). Bij deze therapie wordt het medicijn via een ruggenprik toegediend. Het ASO maakt van het SMN2-gen een SMN1-gen waardoor de eiwitproductie toeneemt. Het is veilig en geeft weinig bijwerkingen. Het onderzoek wordt uitgevoerd in verschillende landen in Europa maar nog niet in Nederland. In 2017 worden resultaten verwacht over de effectiviteit bij SMA type 1.

3. Pillen. Verschillende farmaceutische bedrijven hebben medicijnen ontwikkeld voor SMN-eiwitproductie door het SMN2-gen verhogen en die als pil kunnen worden ingenomen. Novartis en Roche (‘Moonfish’) zijn gestart met de eerste onderzoeken die vooral tot doel hebben veiligheid aan te tonen en bijwerkingen vast te leggen. Het MOONFISH-onderzoek is ook in Nederland gestart, maar gestaakt om extra veiligheidsonderzoek te laten verrichten.

Het middel olesoxime (‘Trophos’) is tussen 2011 en 2013 getest. Dit middel verhoogt het SMN-eiwit niet maar beschermt zenuwcellen tegen schadelijke invloeden van buiten af. Aan dit onderzoek hebben ook Nederlandse patiënten deelgenomen. Olesoxime heeft zeer waarschijnlijk een stabiliserend effect op het beloop van SMA type 2 en 3 tussen de leeftijd van 3 en 25 jaar. Olesoxime wordt inmiddels door het grote farmaceutische bedrijf Roche geproduceerd. Roche voert gesprekken met de gezondheidsautoriteiten in Europa om toestemming te krijgen het middel op de markt te brengen. Vooruitlopend op toestemming zal het middel in 2017 in studieverband worden aangeboden aan de mensen die aan het eerdere onderzoek hebben meegedaan.

In het UMC Utrecht wordt binnenkort begonnen met onderzoek naar het effect van het geneesmiddel pyridostigmine (Mestinon) bij klachten van snel optredende vermoeidheid bij het herhalen van bepaalde bewegingen (bijvoorbeeld het naar de mond brengen van de arm). Dit onderzoek heet de ‘SPACE trial’. Op basis van een lotingsnummer mensen met SMA die zijn opgenomen in het Nederlandse SMA-register worden mensen benaderd voor dit onderzoek.

Wetenschappelijk onderzoek naar SMA in Nederland
Voor een overzicht van het onderzoek in Nederland: zie de website www.smaonderzoek.nl. Onderzoek naar SMA is in Nederland mogelijk dankzij het nationale SMA-register waarvoor zich al bijna 250 mensen hebben aangemeld. Aanmelding is nog altijd mogelijk via smaonderzoek@umcutrecht.nl. Het onderzoek richt zich op het natuurlijk beloop, dat wil zeggen:

  • hoe ontwikkelt de spierkracht zich in de loop van de tijd in relatie tot de leeftijd?;
  • oorzaken en behandeling van vermoeibaarheid;
  • de waarde van MRI-scans om het ontstaan en het beloop van de ziekte te bestuderen;
  • oorzaken van verschillen in kwaliteit van leven;
  • oorzaken van en oplossingen voor problemen met slikken.

Door dr. L. van der Pol
Uit de nieuwsbrief SMA van Spierziekten Nederland, november 2015

Naar overzicht Spinale musculaire atrofie, algemeen

Gepubliceerd op 13 februari 2015, laatst gewijzigd op 10 november 2017

Bewaar als PDF Printen