De geschiedenis van poliovaccins in Nederland en Europa

15 mei 2026 María Victoria Caballero, María Teresa Brancaccio en María Isabel Porras Gallo

Vanuit de European Polio Union (EPU) ontvingen we onderstaand artikel dat de geschiedenis schetst van de ontwikkeling en toepassing van de diverse vaccins in Nederland en Europa. De samenwerking tussen Jacobus Dirk Verlinde en Albert Bruce Sabin speelde daarin een belangrijke rol.

Vanaf 1949 maakten de bijdragen van de wetenschapper en hoogleraar epidemiologie aan de Johns Hopkins School of Hygiene and Public Health, David Bodian (1910–1992), en zijn team duidelijk dat er verschillen bestonden tussen de verschillende stammen van het poliovirus. Dit gebeurde nadat zij de resultaten hadden gepubliceerd van een grootschalig onderzoek dat aan de Johns Hopkins University was uitgevoerd, met steun van de National Foundation for Infantile Paralysis (NFIP).

Belangrijk keerpunt

Tegelijkertijd betekende een ontdekking van arts en bacterioloog John Franklin Enders (1897-1985) een belangrijk keerpunt. Samen met zijn jonge medewerkers Thomas Huckle Weller (1915-2008) en Frederick Chapman Robbins (1916-2003) ontdekte hij dat poliovirussen zich konden vermenigvuldigen in celculturen van menselijke embryo’s. In hun onderzoek gebruikten zij de zogenoemde Lansing-stam van het poliovirus. De celculturen waren afkomstig van niet-neuraal weefsel, zoals huid en spieren. Deze ontdekking vormde een keerpunt in de lange zoektocht naar vaccins tegen poliomyelitis.

Deze vooruitgang, gepresenteerd op het Tweede Internationale Congres over Poliomyelitis gehouden in Kopenhagen in 1951, werd door de wetenschappelijke gemeenschap beschouwd als ‘het einde van het tijdperk van de apen en het begin van het tijdperk van de celculturen’. Op datzelfde congres presenteerde Jonas Salk (1914–1995) de resultaten van het werk dat hij samen met het Typificatiecomité van de NFIP had uitgevoerd over de classificatie van het poliovirus.

Vanaf dat moment groeide het vertrouwen dat een effectief vaccin poliomyelitis kon overwinnen. De internationale wetenschappelijke gemeenschap richtte haar inspanningen op twee typen: enerzijds de vaccins op basis van geïnactiveerd virus, ontwikkeld door Salk, en anderzijds de vaccins op basis van verzwakt levend virus, die oraal konden worden toegediend, voorgesteld door Sabin.

Oprichting deskundigencommissie en AEP

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) richtte in 1950 een Deskundigencommissie voor Poliomyelitis op. De commissie had als opdracht om al het internationale onderzoek naar de ziekte te coördineren. In Europa werd in 1951, eveneens met steun van de WHO en de NFIP, de Europese Vereniging tegen Poliomyelitis (AEP) opgericht.

In 1955 publiceerde de WHO een monografie over poliomyelitis. Hierin presenteerde Sabin de resultaten van de experimenten die hij met apen had uitgevoerd. Deze bevestigden dat de orale toediening de meest effectieve was om de productie van antilichamen op te wekken. Dit resultaat stond in contrast met de beperkingen die volgens hem verbonden waren aan de geïnactiveerde vaccins: een lagere immunogeniciteit, de noodzaak van herhaalde boosterdoses, en vooral ernstige veiligheidsrisico’s. Immunogeniciteit is het vermogen van een stof, zoals een vaccin of virus, om een afweerreactie van het immuunsysteem op te wekken.

Begin massale vaccinatie

Ondertussen werd in april 1955 het verslag van het grote onderzoek naar het Salk-vaccin, onder leiding van Thomas Francis, openbaar gemaakt. Dit maakte het mogelijk om nog datzelfde jaar in de Verenigde Staten te beginnen met de massale vaccinatie van kinderen. Het aanvankelijke enthousiasme werd echter al snel overschaduwd door het zogenoemde Cutter-incident, veroorzaakt door de distributie van een partij vaccin die door een laboratorium onvoldoende geïnactiveerd was. Hierdoor raakten meer dan 200 kinderen verlamd of kwamen te overlijden.

Dit voorval veroorzaakte een grote controverse in de wetenschappelijke en medische wereld. Het versterkte ook het scepticisme tegenover het Salk-vaccin. Dit was vooral het geval in Europa, waar de belangstelling toenam voor de vaccins op basis van verzwakt levend virus. Deze vaccins werden ontwikkeld door Sabin en andere onderzoekers, onder wie Hilary Koprowski, die al sinds 1947 in de Verenigde Staten met dit type vaccins werkte.

Sabin, die sinds 1951 werkte aan de ontwikkeling van zijn eigen vaccins met verzwakt levend virus merkte in 1955 op dat, ondanks de veelbelovende resultaten die bij apen waren behaald, er nog meer dierstudies nodig waren voordat er grootschalige proeven met mensen konden worden uitgevoerd.

Rol van Verlinde

In deze context begon Jacobus Dirk Verlinde (1910–1987), directeur van het Instituut voor Preventieve Geneeskunde in Leiden, een zeer belangrijke rol te spelen. Zijn samenwerking met Sabin, die terugging tot 1947, zou uiteindelijk leiden tot een fundamentele bijdrage aan de ontwikkeling, introductie en beproeving van het orale poliovaccin in Nederland en in Europa.

De professionele, wetenschappelijke en ook persoonlijke relatie tussen Jacobus Dirk Verlinde en Albert Bruce Sabin begon in 1947. Verlinde, die sinds 1946 hoogleraar bacteriologie was aan de Universiteit van Leiden, maakte dat jaar dankzij een beurs van de Rockefeller Foundation een studiereis naar de Verenigde Staten. Tijdens dit verblijf bezocht hij verschillende onderzoekscentra, waaronder het laboratorium van Sabin in Cincinnati.

Dit bezoek stelde hem niet alleen in staat zich vertrouwd te maken met de modernste virologische technieken, maar ook om contacten te leggen die later van doorslaggevend belang zouden blijken. Daarnaast maakte het de verbetering van de uitrusting van zijn eigen laboratorium in Leiden mogelijk.

Experimenteren met poliovirussen

Aanvankelijk concentreerde de samenwerking tussen beiden zich niet op poliomyelitis, maar op andere ziekten en virussen die het zenuwstelsel konden aantasten, zoals toxoplasmose en Japanse B-encefalitis. Kort daarna begon Verlinde echter ook te experimenteren met poliovirussen. Hiervoor ontving hij verschillende stammen, waaronder de Lansing-stam, via het netwerk van Sabin.

Dankzij deze contacten kon Verlinde al vroeg deelnemen aan het internationale debat over poliomyelitis. Hij presenteerde zijn eerste resultaten in 1948 op het Eerste Internationale Poliomyelitiscongres (Primer Congreso Internacional de Poliomielitis), gehouden in New York, en later, in 1951, op dat van Kopenhagen, waar hij nieuwe gegevens bijdroeg die hij in samenwerking met Sabin had verkregen.

Opbouw internationaal netwerk

Toen Sabin eind 1955 in de Verenigde Staten niet de benodigde steun kreeg om grootschalige proeven met zijn orale vaccins uit te voeren — mede door de voorzichtigheid die voortkwam uit het Cutter-incident — begon hij een internationaal netwerk van medewerkers op te bouwen die de vaccins in andere landen zouden kunnen beproeven.

Juist in die periode, in 1956, trad Verlinde toe tot de Gezondheidsraad van Nederland, die de regering adviseerde op het gebied van gezondheids- en epidemiologische vraagstukken. Vanuit die positie verzette hij zich tegen het gebruik van het Salk-vaccin, omdat hij van mening was dat dit niet de noodzakelijke en duurzame immuniteit bood die een levend verzwakt vaccin wél kon verschaffen.

Zijn standpunt kreeg echter geen meerderheid van steun, en na de poliomyelitis-epidemie van 1956 besloot de regering een massale vaccinatiecampagne met het Salk-vaccin uit te voeren.

In datzelfde jaar vroeg Verlinde samen met Rijk Gispen, directeur van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid (RIV) in Utrecht,  Sabin om vaccinstammen toe te sturen. Ze wilden met deze stammen experimenten in Nederland uitvoeren. Sabin antwoordde echter dat hij die nog niet kon vrijgeven. Pas in 1957 begon Sabin zijn preparaten te verspreiden, nadat hij overtuigender resultaten had verkregen over de veiligheid ervan.

Proefcampagne Nederland

Ondertussen besloot de Nederlandse regering, onder druk van de epidemiologische situatie, het Salk-vaccin uit de Verenigde Staten te importeren en in 1957 een proefcampagne op te zetten.

In april 1957 kreeg Sabin toestemming om grote partijen van zijn vaccins te sturen naar een kleine groep onderzoekers in verschillende landen, onder wie Verlinde. Hij was de eerste die ze in Europa ontving.

Vrijwilligers krijgen vaccin

Datzelfde jaar organiseerde Verlinde in Nederland een eerste proef met ongeveer vijftig vrijwilligers, onder wie zowel externe deelnemers als zijn eigen familie en die van enkele medewerkers. Dit om een voorbeeld te geven van vertrouwen in het vaccin. De resultaten waren positief, aangezien het vaccin veilig bleek te zijn, immuniteit opwekte en slechts milde bijwerkingen veroorzaakte.

Daarnaast vroeg Sabin hem om enkele van zijn stammen door te sturen naar andere plaatsen waarmee hij contacten had gelegd, zoals Italië en Curaçao. Hierdoor werd Nederland, dankzij Verlinde, een belangrijk knooppunt binnen het internationale netwerk dat Sabin aan het opbouwen was.

Op het symposium van de AEP in 1958 was Verlinde de enige deelnemer die al directe ervaring had met het vaccin van Sabin, wat hem een centrale rol in de discussies gaf. Hij presenteerde de in Nederland behaalde resultaten en legde de gehanteerde methodologie uit, wat grote belangstelling wekte en het idee versterkte dat de orale vaccins van Sabin een levensvatbaar alternatief vormden voor dat van Salk.

Proeven in andere landen

Vanaf 1957 namen de internationale proeven met het vaccin van Sabin sterk toe in verschillende landen, zoals Italië, het Verenigd Koninkrijk, Tsjecho-Slowakije, de Sovjet-Unie, Mexico, Singapore en Zuid-Afrika. In veel gevallen kwamen de eerste partijen vaccins via Verlinde binnen, die bovendien informatie deelde over de methoden en de resultaten. Zijn contacten, onder meer in Noorwegen, maakten hem tot een sleutelpersoon in de uitbreiding van het netwerk van Sabin in Europa.

In Nederland was de situatie echter ingewikkelder, aangezien de autoriteiten ervoor kozen een eigen geïnactiveerd vaccin te ontwikkelen en toe te passen, geproduceerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid in Bilthoven. Dit beperkte het gebruik van het vaccin van Sabin tot kleinschalige proeven die onder leiding van Verlinde werden uitgevoerd.

Wereldwijde erkenning

In de internationale context daarentegen groeide de steun voor het orale vaccin van Sabin. Vooral na de indrukwekkende resultaten die vanaf 1959 in de Sovjet-Unie werden behaald, waar miljoenen mensen werden gevaccineerd zonder ernstige incidenten. Deze successen waren doorslaggevend voor het feit dat het vaccin van Sabin wereldwijd brede erkenning begon te krijgen en werd beschouwd als een geschikter alternatief dan dat van Salk voor massale immunisatiecampagnes.

Het geval van Jacobus Dirk Verlinde toont het belang van zijn rol binnen de internationale samenwerking rond de beproeving van het orale vaccin van Sabin in Europa. Zijn relatie met Sabin, die in 1947 begon tijdens zijn onderzoeksverblijf in Sabins laboratorium in Cincinnati, duurde vele jaren en bleek van doorslaggevend belang te zijn voor de verspreiding van Sabins vaccins in Europa.

Verlinde nam niet alleen deel aan de eerste proeven die in Nederland werden uitgevoerd, maar fungeerde ook als tussenpersoon bij de verspreiding van stammen, deelde methodologische informatie en presenteerde resultaten op verschillende internationale wetenschappelijke fora. Zijn tussenkomst was van essentieel belang om ervoor te zorgen dat de vaccins van Sabin al snel brede internationale weerklank vonden.

Hoewel zijn inspanningen er niet toe leidden dat Nederland het orale vaccin opnam in zijn nationale programma — aangezien het land ervoor koos een eigen geïnactiveerd vaccin te ontwikkelen en te gebruiken — droeg zijn werk in beslissende mate bij aan de validatie en verspreiding van de vaccins van Sabin op internationaal niveau.

Verlinde was sleutelfiguur

Verlindes werk was van cruciaal belang om ervoor te zorgen dat de orale vaccins van Sabin uiteindelijk werden erkend en aanbevolen door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) als de meest geschikte voor massale immunisatiecampagnes.

Kortom, Jacobus Dirk Verlinde was een sleutelfiguur in de internationale geschiedenis van de strijd tegen poliomyelitis — een brug tussen Sabin en Europa, die de proeven stimuleerde, de uitwisseling van kennis bevorderde en met overtuiging de waarde van de orale vaccins verdedigde. Zonder zijn bijdragen zou de wereldwijde erkenning van het vaccin van Sabin waarschijnlijk langzamer, moeilijker en beperkter zijn verlopen.

Laatste nieuws en ontwikkelingen

Terug naar het overzicht