Klachten en verloop
De klachten beginnen meestal tussen het 40e en 60e levensjaar. Ze starten vaak bij de oogleden en de keel.
Oogleden
De spieren van de oogleden worden zwakker. Daardoor gaan de bovenste oogleden hangen. Na verloop van tijd kunnen de oogleden voor de pupil hangen. Dit maakt kijken moeilijker. Veel mensen trekken hun wenkbrauwen op om beter te zien. Ook houden zij het hoofd vaak iets achterover.
Slikken en keel
De spieren in de keel worden langzaam zwakker. Deze spieren zorgen normaal dat eten naar de slokdarm gaat. In het begin gaat vast voedsel moeilijker. Denk aan taai vlees, broodkorsten of harde groenten. Later wordt ook slikken van drinken lastiger. Veel mensen gaan langzamer eten. Ze nemen kleinere hapjes en slokjes. Soms komt eten of drinken in de luchtpijp. Dit kan zorgen voor verslikken en hoesten.
Spraak
Door zwakkere keelspieren verandert soms de spraak. Mensen kunnen meer door de neus gaan praten. Als ook de tongspieren zwakker worden, wordt spreken moeilijker.
Heupen en benen
Bij de meeste mensen worden later ook de heupen en bovenbenen zwakker. Traplopen wordt dan lastiger. Later kan ook lopen moeilijker worden. Sommige mensen krijgen een waggelende manier van lopen.
Andere klachten
Ook andere spieren kunnen zwakker worden. De gezichtsuitdrukking kan minder duidelijk worden. Soms ontstaat krachtverlies in de schouders en bovenarmen. De spieren die zijn aangedaan, worden vaak dunner. De klachten ontstaan langzaam en verergeren ook langzaam.