DunnevezelneuropathieDiagnose en behandeling

Hoe wordt de diagnose dunnevezelneuropathie gesteld?

Aan de hand van uw klachtenpatroon zal de arts bepalen naar welke mogelijke oorzaken verder onderzoek gedaan moet worden.
Om de diagnose dunnevezelneuropathie te kunnen stellen, zijn de volgende onderzoeken mogelijk:

  • een onderzoek naar de temperatuurgevoeligheid (temperatuur-drempelonderzoek);
  • een onderzoek naar de geleiding van warmteprikkels (´contact heat evoked potentials´);
  • een huidbiopt.

Bij het huidbiopt wordt onder plaatselijke verdoving een stukje huid net boven de enkel aan de buitenzijde afgenomen met een doorsnede van drie millimeter.
Het stukje huid wordt zo bewerkt dat onder de microscoop het aantal zenuwvezels kan worden geteld. In het geval van een dunnevezelneuropathie is het aantal zenuwvezels laag.

Ook wordt ook onderzoek gedaan naar de geleiding van de dikke zenuwvezels [met een elektromyogram (EMG)] en wordt bloedonderzoek verricht.

Behandeling van DVN

Als de oorzaak van de dunnevezelneuropathie bekend is, kan worden geprobeerd deze weg te nemen. Wanneer dat niet mogelijk is of wanneer er geen oorzaak wordt gevonden, zal de behandeling in de meeste gevallen bestaan uit pijnbestrijding.
Pijnstillers die vaak worden voorgeschreven zijn:

  • antidepressiva
  • anti-epileptica
  • opioïden (morfineachtige medicijnen).

Voor de pijnbehandeling kunt u worden verwezen naar een pijncentrum/pijnpoli.

Folder over DVN

Een samenvatting van de informatie vindt u in deze folder.